Theo Peeters

Over de auteur

Theo Peeters (11 maart 1943) is een Belgische neurolinguïst die zich gespecialiseerd heeft in het autisme spectrum. Hij wordt aanzien als één van de belangrijkste autoriteiten ter wereld op dit gebied: zijn talrijke publicaties, zijn boeiende vormingen en congressen in de hele wereld maken van hem één van de meest bekwame en empathische experten op deze planeet. Hij legt vooral de nadruk op het begrijpen van de autistische cultuur en het begrijpen van autisme kijkend door de autisme lens. Hij heeft in 1981 het Opleidingscentrum Autisme gesticht in Antwerpen (België).

Theo Peeters is licentiaat in Wijsbegeerte en Letteren (Katholieke Universiteit Leuven), heeft een Master in Neurolinguïstiek (Vrije Universiteit Brussel) en een Master in Menselijke Communicatie (Guy’s Hospital, Universiteit Londen). Hij heeft na een jaar medewerking (via een studiebeurs van het Medisch Fonds voor Wetenschappelijke Onderzoek) in het TEACCH-programma (Treatment and Education of Autistic and related Communication handicapped CHildren) een affiliatie met dit staatsprogramma voor mensen op het autistisch spectrum. In 1985 kreeg hij de opdracht van de Minister van Nationale Opvoeding om leerkrachten en para-medisch personeel te vormen in het eerste Educatieve Experiment Autisme in het Buitengewoon Onderwijs. Hij was ook de educatieve verantwoordelijke voor autisme-projecten in Rusland, Hongarije, Polen, Zuid-Afrika e.a. in opdracht van de Vlaamse Regering.

Hij is nog steeds geassocieerd redacteur van het tijdschrift Good Autism Practice, van Glenys Jones en Hugh Morgan, in samenwerking met de universiteit van Birmingham. Theo Peeters heeft verschillende boeken over autisme geschreven, o.a. Over autisme gesproken (1980), Uit zichzelf gekeerd (1984), Autisme vanaf de adolescentie (1987), Autisme, van begrijpen tot begeleiden (tiende herziene druk in 2009) en Autisme. Medische en Educatief (2003), in samenwerking met Christopher Gillberg van de universiteit Göteborg (Zweden). Verschillende van deze boeken zijn in meerdere talen vertaald.

Een reis naar het hart van autisme

Praten met Theo Peeters betekent autisme proberen te begrijpen vanuit een humanistisch standpunt en zijn passie ontdekken voor de studie van deze conditie. Claudia Pita, één van de aanwezigen bij dit gesprek in Bogota zegt: “Deze man heeft niet alleen wijsheid die komt van het jarenlange werk, maar ook van de kennis die leidde tot een constant contact, zelfs vriendschap met autistische mensen. Hoe dan ook, zijn passie, is voor hem geen hindernis om een objectieve en diepe manier op het onderwerp in te gaan.

De oorsprong van zijn humanistische kijk op autisme vindt men in zijn studie van literatuur en filosofie: ‘Na mijn studies werd ik leraar in een kunstschool, mijn studenten waren beeldhouwers, schilders en andere kunstenaars. Ik geraakte geïnteresseerd in de relatie tussen psychose en scheppingstalent. Terzelfdertijd schreef ik teksten voor radio en geschreven pers over psychiatrie, psychose en kunst, onder andere. Ik wou ontdekken waardoor een psychose veroorzaakt werd, was het de omgeving of was het een ongewone ontwikkeling van de hersenen. Dat wou ik leren begrijpen via de studie van neurolinguïstiek.

In die tijd sprak mijn prof over autisme als een soort kinderpsychose veroorzaakt door mama’s. Ik had daar grote twijfels over. Per toeval kreeg ik in die periode een uitnodiging voor een persconferentie georganiseerd door ouders met psychotische kinderen en toen ik met die mama’s sprak voelde ik dat een grote onrechtvaardigheid was hen de schuld te geven van de moeilijkheden van hun kinderen, want zij waren zo gemotiveerd om een oplossing te vinden, die ze niet vonden in de maatschappij zoals die toen bestond.

Maar het was niet alleen die ‘dorst voor rechtvaardigheid’ die zijn interesse in autisme bepaalde, maar ook het thema van eenzaamheid. Zoals we zijn dialoog met de Spectator registreerden: ‘Door mijn studies in Londen en mijn lectuur over autisme botste ik op het onderwerp ‘eenzaamheid’, één van de thema’s die ook zo belangrijk zijn in de literatuur. Maar de eenzaamheid van autisme was erg verschillend van die in de literatuur. Als men, om een voorbeeld te geven, Samuel Beckett, leest kan men zijn eenzaamheid begrijpen, maar de eenzaamheid van autisme had meer te maken met het leven in een wereld die men niet begrijpt, het is een cognitieve eenzaamheid. Voor mij was de studie van autisme meer en meer ook een literatuurstudie. Ik wilde autisme leren begrijpen ‘van binnen uit’.

Maar om autisme van binnen te begrijpen is theorie niet voldoende. Men moet ook hun leven kennen, men moet naar ouders luisteren , want zij kennen hun kinderen ‘live’. Zij zijn zo belangrijk in het geheel den men dient nederig te zijn en de moed hebben om te erkennen dat zij bepaalde zaken beter begrijpen dan een professioneel. Een professioneel kan dan wel autisme in het algemeen kennen, maar ouders zijn de experten van hun eigen kind. ‘Als je één kind met autisme gezien hebt, dan heb je één kind met autisme gezien’ (Jim Sinclair, iemand met autisme). Elk kind is anders. Om autisme beter te leren begrijpen in de praktijk kreeg Peeters een beurs van het Fonds voor Geneeskundig Onderzoek. Dit liet hem toe een jaar lang te werken in het staatsprogramma TEACCH (Teaching and Education of Autistic and related Communication handicapped CHildren).

Autistische mensen denken visueel…

Om autisme te begrijpen moeten we verder gaan dan de symptomen, zien wat er onder de tip van de ijsberg zit, zodat we autisme van binnen zien en dat is het belangrijkste. Zien bijvoorbeeld dat ‘stressproblemen’ te maken hebben met communicatie, met het moeilijk te begrijpen sociaal gedrag, met sensorische problemen, met sociale verbeelding. Het is leren inzien dat bepaalde repetitieve gedragingen functioneel kunnen zijn. Gunilla Gerland (in haar boek ‘Een echte mens’) wou zo graag aanzien worden ‘als een echte mens’, en ze probeerde zo hard het te zijn, maar alles wat ze probeerde werd negatief onthaald zodat ze zich een echte zero voelde. En als zij helemaal uitgeput was, restte haar alleen nog ronde houten voorwerpen op een obsessieve manier te betasten. Het was haar enige manier om nog wat troost te vinden, haar enige emotionele voeding, maar dat werd aanzien als (te verwerpen) obsessioneel gedrag.

Als we autisme wat begrijpen, zien we wel in dat we de omgeving moeten aanpassen, dat ruimte en tijd voorspelbaar moeten zijn. Van iemand die doof is ga je niet verwachten dat hij op dezelfde manier communiceert als wij, maar van mensen met autisme wordt nog al te veel verwacht dat zij denken als wij, of dat ze in elk geval moeten leren zijn zoals wij. De zwakke moet zich aanpassen aan de sterken, het lijkt wel wat absurd. Mensen met autisme zijn visuele denkers dus zou opvoeding en onderwijs voor een groot deel visueel moeten zijn. Een goede opvoeding en onderwijs dient ook rekening te houden met hun contextproblemen (een contextueel probleem is in feite een conceptueel probleem). Ze begrijpen niet vanzelf dat wat ze geleerd hebben in een bepaalde omgeving ook kan toegepast worden met een andere persoon of in een andere omgeving. Immers de visuele context is anders…

Claudia Camacho — El Espectador